Ingehouden

Ingehouden

“De enige die je echt kunt vertrouwen, is je hond” was zijn lijfspreuk. Onze vader was altijd op z’n hoede. Hij hield zijn armen steevast wat gekromd naar achteren. Als een bokser die eerst inademend naar achteren zwenkt om daarna de klap naar voren uit te delen. Alleen leidde die achterwaartse beweging bij hem niet tot bevrijdende ontlading, maar hoopte alle spanning zich op. In zijn vastgeklemde kaken, in tot vuisten gebalde handen en in die knik van zijn ellebogen. Om dan naar aanleiding van volstrekt irrelevante gebeurtenissen tot uitbarsting te komen. Glazen potten met appelmoes bijvoorbeeld, waarvan hij de deksels niet snel genoeg opengedraaid kreeg, eindigden regelmatig in een brei met scherven tegen keukentegels. Of schoenveters, die hij grommend kapot trok als hij de knopen niet in één keer kon ontwarren.

Wij hadden geen invloed op het kanaliseren van die briesende energie. We maakten ons zo klein mogelijk en wachtten tot het, voor even, over was. Pas toen wij zelf ouders werden, bleken zijn kleinkinderen dat wonder wel te kunnen bewerkstelligen. In hun aanwezigheid verzachtte hij onmiddellijk. Alsof hij eindelijk, na al die jaren, kon uitademen. Zijn armen werden soepel rond als hij hen omhelzend voorlas. Hij strekte die zelfs recht voor zich uit als ze enthousiast op hem af renden. En het was ook pas in die periode dat hij voor het eerst vertelde over de gebeurtenis uit zijn jeugd die zo bepalend was geweest voor de rest van zijn leven.

Toen hij 16 was, in 1944, werd tijdens het avondeten aangebeld. Zijn vader kreeg het bevel om onmiddellijk mee te gaan naar het dichtstbijzijnde werkkamp van de Duitsers. Daar was een kapper nodig. Nee, het waren geen Duitsers die voor de deur stonden. Hij zag nog steeds die koppen voor zich, die uitgestreken smoelen van die Nederlandse S.S.’ers. Het waren mannen die hij herkende als de bridgevrienden van zijn vader. Zijn vader had zich bij hen onder gelijkgestemden gewaand. Tijdens elke wekelijkse kaartavond had hij, luid en duidelijk, verteld wat hij van de Duitse bezetting vond. ’Die kapper uit Echt, die zijn mond niet had kunnen houden’, zo werd hij daarna steeds weer genoemd.

Terwijl hij in de deuropening stond, zijn rug tegen de boezem van zijn moeder, zijn broer en zus achter haar rokken, zag hij zijn vader de straat uitlopen. En juist toen hij hoopte dat zijn vader nog wel even om zou kijken en zou zien dat hij niet echt bang was, dat hij tenslotte al bijna net zo groot was als zijn moeder, zag hij een van de S.S.‘ers zijn geweer richten op de rug van zijn vader en de trekker overhalen. Even leek het alsof zijn vader juichte toen hij zijn hoofd naar achteren en zijn armen omhoog gooide.
En op dat moment voelde mijn vader hoe de handen van zijn moeder zijn bovenarmen, vlak boven zijn ellebogen, omknelden en hem tegenhielden om iets, hij wist niet wat, maar wat dan ook, te doen.

Verhalen

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *