Een lus in de tijd

Een lus in de tijd

Stilte die me overvalt. Dag en nacht door het ontbreken van het geruis van verkeer dat normaliter altijd de grondtoon rond mijn huis is. Een stilte die nu vaker dan anders regelmatig onderbroken door het geluid van de ambulances die uit hun centrum hier om de hoek vertrekken. Lege straten. Gesloten winkels, gesloten stad. Thuis leven in een kleine wereld. Beelden op t.v. van vluchtelingenkampen, van een exodus van mensen in India die de steden ontvluchten. Hoe komt het toch dat ik dit alles voor het eerst meemaak en het tegelijkertijd herinnering lijkt? Al eerder beleefd. Wonderlijk vertrouwd. Haarscherp op het netvlies van mijn geheugen.

En opeens weet ik het weer. Het zijn scènes uit een van de boeken van Doris Lessing; ‘Herinneringen van een overlevende.’ Ik pak het uit de boekenkast, sla het open en terwijl ik daar sta, lees ik de allereerste zin:

“We herinneren ons die tijd allemaal. Het was voor mij niet anders dan voor anderen. Toch vertellen we elkaar telkens opnieuw de bijzonderheden van de gebeurtenissen die we samen hebben meegemaakt, en dit herhalen, dit aanhoren, is alsof we zeggen: ‘Was het voor jou ook zo? Dat bevestigt het dan, ja, zo was het, zo moet het geweest zijn, ik heb het me niet verbeeld.’

En een paar pagina’s verder:
“Ik zal dit verslag beginnen op een tijdstip waarop we nog niet over ‘het’ praatten. We waren nog in het stadium van algemene ongerustheid. De zaken stonden er niet zo best voor, de toestand was zelfs behoorlijk beroerd. Heel veel dingen waren slecht, brokkelden af, hielden op, of ‘gaven reden tot zorg’, zoals de nieuwsdiensten dan zeiden.”

Direct in dit verhaal gezogen, een verhaal dat zij in 1982 schreef en ik in ’83 kocht, lees ik het boek in één ruk uit. Alsof ik in een lucide droom beland ben waarin er een buiging in de tijd is ontstaan en ik haar relaas van bijna veertig jaar geleden over een overlevende in een voor ons mogelijke toekomst in het nu ervaar.

… “Ja, het was heel vreemd. Ja, het was allemaal onmogelijk. Maar ik had tenslotte het ‘onmogelijke’ geaccepteerd. Ik leefde ermee. Ik had alle normale verwachtingen voor mijn innerlijke wereld, voor mijn werkelijke leven daar opgegeven. En wat het openbare leven betreft, de buitenwereld, het was lang geleden dat die iets normaals had geboden. Zou je die periode misschien zo kunnen omschrijven, als een tijd waarin ‘het buitengewone gewoon was geworden’? …

… “… en vroeg me af wat ik het beste kon doen, en besloot niets te doen; ik vroeg me af hoe lang deze stad nog zou bestaan, uitgehold als ze in alle opzichten was, met haar diensten die gestaakt waren, de mensen die haar ontvluchtten, de voedselvoorziening die steeds slechter werd, de openbare orde die steeds meer bestond uit wat de burgers zichzelf voorschreven, een instinctieve zelfbeheersing, of zelfs de zorg voor anderen die in dezelfde benarde situatie verkeerden.”…

Een luguber sprookje met elementen die aan de verhalen van Murakami doen denken, zoals het fabeldier Hugo, met het lijf van een hond en het gezicht van een kat. Zoals het huis uit een andere wereld waar de hoofdpersoon op onverwachte momenten in een parallelle dimensie terechtkomt. Een wereld waar zowel haar concrete verleden getoond wordt, waar verschillende dimensies van haar psyche en creativiteit tot leven komen en waar haar geschiedenis en tegelijkertijd haar toekomst vorm krijgt.

Een verontrustend beeld van wat er kan gebeuren als mensen zonder bezittingen zich groeperen tot bendes die zonder enig mededogen in bezit nemen wat zij nodig hebben om te overleven.
Een hoopvol verhaal ook; over de hulp die er altijd is, over liefde en trouw. Over die andere wereld die gloort en uiteindelijk ook toegankelijk blijkt.

Als ik het boek dichtsla ben ik nog lang heel stil.

Verhalen

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *