Tante Elly

Tante Elly

“Pas maar op. Anders word je net als tante Elly.’ Dat zei mijn moeder voor het eerst toen ik ’n jaar of zes was. Ik stond op dat moment in haar meest chique jurk, met mijn voeten in het enige paar schoenen met hoge hakken dat zij bezat, voor de spiegel op haar slaapkamer en begreep er niets van. Wat was er dan om voor op te passen? Wat was er dan gevaarlijk aan ‘worden als tante Elly’? Ik hield van haar. Zij was mijn allerliefste tante. Lief en leuk.
Ze hield plakboeken bij met foto’s die ze uit allerlei tijdschriften knipte, van Marlène Dietrich, Greta Garbo en Ginger Rogers. Als ik samen met mijn moeder bij haar op bezoek was, liet ze mij altijd haar nieuwste verzameling zien. Nu, bijna 60 jaar later, denk ik dat zij die foto’s gebruikte als inspiratiebronnen om haar eigen unieke combinatie te maken van de stijlen van deze drie ‘sterren’. Toentertijd werd ik er alleen maar vrolijk van dat ik een tante had die plaatjes spaarde en plakte.
Ze was zo anders dan alle andere vrouwen die ik kende. Als mijn moeder en haar vriendinnen hun haren wilde beschermen tegen de regen en als ze de krulspelden of permanentjes op de goede plek wilden houden, deden ze een soort plastic zeiltje op hun hoofd en knoopten de touwtjes aan de uiteinden daarvan stevig onder hun kinnen vast. Bij wind of kou trokken ze voorzichtig een dikke wollen muts over die krulspelden of die kapsels heen, tot over hun oren.
Tante Elly droeg in alle weersomstandigheden grote zwierige en veelkleurige hoeden. Met golvende brede randen en versieringen van allerlei veren en zijden bloemen. Die hoofddeksels liet zij voor zichzelf op maat maken. Daar ging ze speciaal voor naar Maastricht of Antwerpen.
De vrouwen in Maasbracht omwikkelden in de winter hun halzen met stevige bruine of donkerblauwe dassen en zichzelf in vormloze en stijve jassen in diezelfde kleuren. Tante Elly vouwde kunstig gedrapeerde stola’s of veren boa’s om zich heen, en danste over straat in jassen van golvende zachte stof die in wijde plooien om haar benen zwierden. En soms – het was nog in de tijd dat dierenleed niet gekoppeld werd aan kleding – droeg zij een jas van zacht langharig bont, met een hoge kraag waarin haar hele gezicht bijna verdween, waardoor ze op ’n groot knuffelig wezen leek dat zo warm, uitnodigend en zachtaardig was, dat ik alleen maar helemaal ín haar wilde kruipen.
De buren en andere ‘tantes’ rookten meestal Belinda. Tante Elly ook, maar zij zette zo’n sigaret dan in een zwart glimmend sigarettenpijpje van minstens 20 centimeter, dat zij met verfijnde gebaren tussen haar vingers met de felrood gelakte nagels liet balanceren.
Ze hield ook erg van zingen en dat deed ze vaak en veel en uit volle borst. Tijdens het ramenlappen, de was ophangen, de stoep vegen; ze liet er iedereen van meegenieten. Op verjaardagsfeestjes, meestal na ongeveer haar vierde of vijfde advocaatje met slagroom, stal ze helemaal de show. Ze durfde dan zomaar midden in de kamer te gaan staan, met één hand op een wulps gedraaide heup, de andere hand op haar borst en zong dan haar lievelingslied:

Ich bin von Kopf bis Fuß, auf Liebe eingestellt,
Denn das ist meine Welt.Und sonst gar nichts.
Das ist, was soll ich machen, meine Natur,
Ich kann halt lieben nur und sonst gar nichts.
Männer umschwirr’n mich,wie Motten um das Licht.
Und wenn sie verbrennen, ja dafür kann ich nichts.
Ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt, …

Terwijl ik opgroeide, ging mijn moeder haar waarschuwing steeds vaker herhalen. Het werd me snel duidelijk dat dit dan te maken had met de momenten dat zij mij te druk, te opgewonden, te wild en te lastig vond: als ik in haar ogen te enthousiast aan de ontbijttafel een verhaal of een droom vertelde, als ik de toneelstukjes die ik samen met vriendinnetjes bedacht had nog voor het slapen gaan wilde opvoeren, met mijzelf in álle rollen, als ik in de woonkamer op het blauwe vloerkleed de dans van de stervende zwaan wilde voordoen aan mijn jongere zusje … Pas maar op …
Hoe ouder ik werd, hoe vaker ze me zelfs bozig toesprak: ‘Ja, nu ben je net ons El.’ En dat betekende gewoon ‘Te Veel’.

Maasbracht. Máás … bracht. Zeg het zwaar en traag en langzaam en je hebt de sfeer van het hele dorp te pakken. Denk dan ook aan alle associaties met de katholieke kerk in Limburg, pastoren met schoongewassen handen, nonnen met valse glimlachjes en priemende ogen en paters geheel gehuld in schijnheiligheid, dan heb je niet alleen de sfeer, maar ook de leefregels helder.
Voor dat dorp, waar iedereen leefde volgens het adagium: “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg,’’ was tante Elly ‘te veel’. Want ‘ons El’ deed niet gewoon. Die had rare ‘stadse fratsen’. Die had het hoog in de bol. Te hoog. Ze was ‘gewoon niet normaal’ en had waarschijnlijk ook een ‘klap van de molen’ gehad.

Zoals tante Elly door het leven ging, kon volgens de goegemeente dan ook nooit goed aflopen. En inderdaad … in de loop van de jaren kreeg ze – naast het etiket ‘Gekke Elly’ – ook het stempel van ‘Ontaarde Moeder’.
Met lede ogen werd namelijk toegekeken dat Elly haar kinderen, tegen alle gewoontes en gebruiken in van wie dan ook in haar omgeving, naar een kostschool in België stuurde. Een nogal exclusieve en dure kostschool, bestierd door de ‘Soeurs’ van Gent. Daar zouden ze in ieder geval meer bagage voor het leven meekrijgen dan zijzelf gekregen had. Haar kinderen zouden ‘wereldburgers’ worden. En ze zouden ook nog eens vloeiend Frans leren spreken.
Tot overmaat van ramp kwam toen ook opeens de man weer in zicht met wie ze getrouwd was. Mijn oom Joop, die er niet was als hij werkte en die, als hij thuis was, er eigenlijk óók niet was. Die zich jarenlang schuilhield in een enorme fauteuil in de hoek van de kamer, zichzelf onzichtbaar makend achter grote wolken sigarenrook en die zich middels glazen cognac van het formaat ‘kleine vissenkom’ regelmatig in zo’n benevelde staat bracht dat hij absoluut geen last had van zijn excentrieke en uitbundige echtgenote. Of daar in ieder geval nog maar weinig van merkte. En zij had ook geen last van hem. Joop? “Daar had je geen kind aan.” Maar in het plotseling lege huis zonder kinderen kwam tante Elly opeens haar man tegen en kon er niet meer tegen. Ze was de eerste sinds mensenheugenis in de geschiedenis van de gemeenschap in Maasbracht die zich liet scheiden. En ze had toch moeten weten: ‘Wat God gebonden heeft, dat zal de mens niet scheiden.’ Maar of ze dat nu wist of niet, ze trok er zich niets van aan en kreeg daarmee ook nog het predicaat ‘Ontaarde Echtgenote’.

Nee, dat liep dus ook niet goed af, voor Elly. Mijn tante Elly, die zo ‘te veel’ was voor het dorp Maasbracht. Ik vind het tot op de dag van vandaag pijnlijk en jammer dat ze nooit echt geweten heeft wat ze voor mij, als voorbeeld, heeft betekend. Tante Elly ging dood toen ik 14 was. Ze liep de Maas in en kon niet zwemmen. Het ‘te veel zijn’ was haar, ondanks al haar moed, toch te veel geworden.
Nog regelmatig denk ik aan haar. Als schroom, schaamte of angst een belemmering worden om creatief en speels te zijn, denk ik: “Pas op … Anders krijg je meer spijt van wat je niet gedaan hebt dan van wat je wel gedaan hebt. Pas op!”

* Hoewel ‘Tante Elly’ gebaseerd is op mijn ervaringen met mijn Limburgse familie, is dit verhaal pure fictie. Elke gelijkenis met bestaande personen, gebeurtenissen, activiteiten, aangehaalde voorbeelden of namen van personen berust op louter toeval.

Verhalen

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.