Schrijverijen

De teksten op deze site zijn onderverdeeld in:

  • Gedichten; over moederschap, vrouw-zijn en ook het leven z’n/haar algemeen.
  • Korte verhalen; soms zonder kop of staart, soms metaforen, soms anekdotes, altijd spelerijen.
  • Haiku’s; die volgens de kenners geen ‘echte’ haiku’s zijn, maar die ik wel zo noem omdat ik me aan de structuur van drie regels houd, waarbij de eerste regel 5 lettergrepen, de tweede 7 lettergrepen en de derde weer 5 lettergrepen telt.

Mochten deze teksten vragen, ideeën of ervaringen oproepen die je met me wilt delen, dan ben je van harte welkom om me een mailtje te sturen: marjokorrel@live.nl.

Gedichten

COCON

Zij vouwt haar armen
om mij heen.
Vlinderlicht.
Zij beroert mijn wang
met getuite lippen.
Tintelzacht.

Waarom lijkt de maan zo licht?
En de nacht zo zwart?
Waar was ik toen jij er nog niet was?
En, mam, gaan wij samen dood?

Binnen mijn begrenzing
krijgt haar vrijheid vorm.
Onvermoede overmoed?
Vertrouwend kijkt ze
nu nog
naar me op.

DOCHTER

Zij trekt haar benen op
om in mijn armen te passen.
Buigt haar hoofd
zodat mijn kin rusten kan
en ik haar haren ruik.
Fluisterend zegt ze
-Ik wil bij jou zijn. Altijd.-
Onze adem vermengt zich.
Nu, zoals vroeger, zoals altijd,
zijn wij delen van elkaar
zonder van elkaar te zijn.
Uit mijn schoot geboren
en het afscheid is gaande.
Voor mij zelfs al te groot
om te bevatten.

ZEEZICHT

Zij volgt mijn voetstappen in het zand
met veel te grote passen.
Ze grijpt vastberaden naar mijn hand.

In haar ogen is de zee azuur met goud
en de wolken toveren tapijten.
Ze glimlacht omdat ze van leven houdt.

Met haar haren verward met de wind
Raakt ze verwonderd door de golven.
Ze is zo klein en nog even kind.

VERLANGEN

Die eerste zeepbel is zo wezenlijk mooi,
een lichte zucht ontsnapt haar lippen.
Daar zijn alle wonderen van de wereld,
regenbogen in de lucht en de zon die zweeft in water!

Op haar tenen met wijde armen vliegt ze bijna,
in het verlangen deze pracht te vangen.
Reikend, rennend, bereikt ze ademloos,
wat haar niet raken wil.

Met gebogen hoofd kijkt ze,
roerloos nu, naar lege handen.
In haar ogen zie ik voor het eerst,
een ontmoeting met eeuwenoude pijn.

DAG DOCHTER

Het kind dat moeders’ schoot verliet
nu, jaren geleden,
creëert een eigen weg
door voetstappen die het achterlaat.
De weidsheid van de wereld lokt
met soms ’n hunkering naar die hand,
die bestemd was om los te laten.

Als vrouw sta ik in dit ochtendlicht
en zie jou, op die andere oever.
Nu de zon opkomt, licht voelbaar wordt
en de dag weer nieuwe vormen weeft,
verdwijnt met weemoed ook dit beeld.
De stroom van verlangen doet je reiken en gaan
en het leven beleven in je eigen bestaan.

BOOM IN TRANSFORMATIE

In de aarde sta ik, geworteld,
en transformeer
resten van rotting en bederf
tot een elixer van leven.

Tussen hemel en aarde beweeg ik, reikend
en transformeer
de stroom van licht en lucht
tot vormen van energie.

In de atmosfeer leef ik, wordend,
en transformeer
vibraties en sensaties van zo velen
tot een nieuwe geschiedenis.

KRETA

Dit licht maakt mij
en gebergte kwetsbaar.
Massieve rotsen transparant,
het grijpbare zo onaantastbaar.

Magie is overal en waar ik zie
wordt het onzichtbare doorschijnend.

Schaduwen verdampen
rollen op in zichzelf.
Die gouden bal wordt gapend gat,
realiteit opgeslokt door hete schijn.

Deze aarde baart een landschap van illusies.
Achter elk verlangen ligt levenspijn.

Het reiken en hopen is altijd meer
verankerd in niet gekende eeuwigheid.
Verdwijnend met elk gebaar, zucht of blik,
zijn goden en demonen in en buiten mij.

LEVENSVERHALEN

Dit serieuze spel
lijkt heel wat waard.
Zinnen vormen verhalen
over oorsprong en vervolg.
Alsof wetmatigheden
zin geven aan het moment.

Er is een stroom
met een vermoede richting.
Er is een bedding
met een verdachte vorm.
Alsof er een plot is
en een uitkomst.

Maar wie is de regisseur?
Wat is toch de clou?

PASSIE

In de leegte
en stilte
van eeuwige pijn

In het lichte
en transparante
van stromend getij

In de kracht
en zwaarte
van voorbije levens

Werd een vrouw geboren
en schreeuwde
met passie

LEVENSDANS

Wij cirkelen
in bekende patronen
om elkaar heen.

In deze muggendans
worden wij onweerstaanbaar
aangetrokken door licht en warmte.

En eeuwig dodelijk
bevreesd voor aanraking.

EEN KUS

Er is een reiken
en een gebaar.
Het spitsen van lippen
en het neigen van hoofden.
Een schouder in een holte,
de kou die verdwijnt.

Als dauw die oplost
in een nieuwe dag.

ROMANCE

In het gras omzoomd door bomen
Vleit zij haar buik tegen de zijne
en voelt zijn adem in haar oor.

Een verlangen naar oneindigheid
als een snik in dit moment,
zoekend naar een uitweg.

Daar tussen die struiken,
een kronkelend pad
en een volgende heuvel.

LIEFDESLEVEN

’n blik
door de warmte in jouw ogen
wordt dat smeulend vuur
zo teder in mij gewekt

’n zucht
in die tintelende ontsnapte ademtocht
komt mijn gestold verlangen
weer bevend vrij

‘n fluistering
met de werveling van kleine woorden
verstomt mijn roepende onrust
met nieuw vertrouwen

’n streling
met de zachtheid van je handen
weef je een cocon van kant
waarin ontroering groeien mag

‘n zoen
jouw mond op mijn lippen
is als het zachte kussen
waarop mijn weemoed rusten kan

’n omhelzing
in de geborgenheid van jouw lijf
wordt die levenslast wat lichter
en prille hoop verschijnt

’n liefde
zoals jij zonder voorbehoud
in oprechtheid bent
heet mij weer welkom in dit leven

PRECIES PASSEND

Als onze voorhoofden elkaar raken, een beetje schuin,
past de punt van mijn neus, precies,
in de holte van jouw ooghoek.

Als onze vingers zich verstrengelen, een beetje gekromd,
past de muis van mijn hand, precies,
in de holte van jouw palm.

Als mijn been liggend rust op dat van jou, een beetje gebogen,
past mijn rechtervoet, precies,
in de holte van jouw linker.

Als wij omhelzend slapen, een beetje licht,
past de bolling van mijn billen, precies,
in de holte van jouw schoot.

Als wij samen ademen, een beetje zacht,
past de stroom van mijn zucht, precies,
in de holte van jouw uitademing.

Als wij samen zijn, een beetje hiermee verlegen,
pas ik bij jou, precies,
zoals jij past bij mij.

SLAPENDE ONSCHULD

In dit fladderende verlangen
liggen de kiemen van rust.
Ontspanning lijkt ongrijpbaar.

Het opgeven van verzet
vraagt zoveel hoop.
Teveel om aan te denken.

De sleutel ligt in stilte
waar de kramp ontsnappen kan.
Terwijl ik mij nu herinner hoe jij slaapt.

WEERLOOS IN LIEFDE

Onverwacht valt, zonder waarschuwing,
een toon, blik of gebaar,
uit dit tijdloze moment
in een gisteren zonder grond.
Na duizelingwekkende daling
ligt daar dit gekwetste gewonde,
krachteloos kreunend,
elk bot gebroken, in elke vezel gekrenkt,
in de vorm van Lucebert’s woorden.

‘Alles van waarde is weerloos.’

Niet in staat en niet bij machte
zich uit zichzelf nog op te richten.
Om hulp te vragen te stom geslagen.
Dan is daar, even wonderlijk onverwacht,
jouw stem die het streelt,
jouw ogen die het verlichten,
jouw handen die het dragen.
Het verleden wordt weer geborgen in vroeger
En ik, meer geheeld, in het nu.

MATELOOS MISSEN

De wereld kent geen grenzen

Leegte is oneindig

De stad is zonder stilte

Wind waait verloren

Thuis verandert in een huis

Geborgenheid raakt misplaatst

De tafel lijkt een woestijn

Geen vruchtbare plek

In bed lig ik verloren

Grijpend naar houvast

Mijn handen reiken naar niets

Afstand in afwezigheid

Woorden vormen zich in gedachten

Weerkaatsend in mijzelf

Deze hunker kent geen richting

Verloren zonder jou

In dit afscheid zonder einde

Verdwijnen ook wij

CREATIEPROCES

De kunstenaar zoekt een wereld
tussen licht en donker,
zijn pen streelt teder het papier, dit louter rakend,
terwijl alle kracht zich concentreert
ergens, tussen hart en buik.

Er bestaan geen lijnen in de realiteit,
noch verschillen tussen goed en beter,
alleen zintuigen en geest creëren die,
veranderen visie in gedachten
en scheiden het ene van het andere.

Maar de kunstenaar transformeert,
deze wereld zoals die lijkt,
terwijl hij verdwijnend opgaat in wat hij doet,
en beeld en verbeelding elkaar ontmoeten,
wordt het magische bevrijd uit dat wat verschijnt.

Met elk nieuw vel papier,
elke nieuwe toets van grijs,
gaat zijn zoektocht alsmaar door,
deze geboortestrijd,
steeds maar weer.

Totdat dat onomkeerbare moment is bereikt,
waar ogen elkaar ontmoeten
zonder angst of oordeel
en elke afstand weer verbonden wordt
terwijl elk onderdeel verlicht wordt door het geheel.

ZONDER HOUVAST

Met vallen en opstaan,
struikelend weerbarstig,
leren we het leven te leven.

Tegendraads en onverzettelijk,
in de ervaring van het beweeglijke moment,
dat stilstaat in het nu van deze dag.

Terwijl de tijd alsmaar stroomt
en aandacht verspringt
van verleden naar toekomst en weer terug.

Terwijl de morgen nog kleding van gisteren draagt
en die gladde huid in herinnering
nu kronkelt, kringelt, barst en plooit.

Terwijl we de wereld willen vasthouden
en in overbodige gebaren
alles vervliedt, vervaagt en verdwijnt.

Terwijl we al grijpend, grauwend en graaiend,
onverhoeds en zonder houvast kunnen verdwijnen,
in een bodemloze diepte zonder straks.

Terwijl in die vluchtige vaart het leven blijkt
als een droom waar geesten schimmen zijn
en we lessen van loslaten, grimmig en geestig genoeg, niet herkennen.

En als ik dan eindelijk in dit leven val,
onbezonnen onbeheerst,
leer ik nooit meer zelf te willen opstaan, noch te wensen.

VRAGEN

Vragen die mijn geest stellen kan,
ontsluiten de diepte van onwetendheid.

Deze wereld is mij vreemd,
verhuld en niet te bevatten

Kennis is wetenschap,
Het weten lijkt vergeten

De wil te begrijpen,
brengt lege handen.

Alleen, in eenzaamheid,
nader ik mijzelf.

Ontdek de eenheid van de ziel,
als bodem van bestaan.

Ontdaan,
van sluiers klevend aan verlangen,
krijgt gegeven tijd,
richting in de ruimte.
Kan ik gaan zonder vragen,
terwijl de aarde antwoord geeft.

OVERGAVE

Zoals de zachte streling
van huid op huid
mijn handen tot bedaren brengt

Zoals de aarde danst, zo cirkelend snel
en ik nog onbewogen
in mijzelf rust vinden kan

Zoals de golven glinstering
geven en weer nemen
kalm en zonder dwang

Zoals oneindig ver daarboven
de zon zo vele sterren schept
Zo word ik
door tijd onderbroken
door aarde getroost en gedragen.

TUSSEN TIJD

N.a.v. beeld ‘In Between’ van Jan Oude Vrielink

In die glimp tussen nacht en dageraad,
waar het licht nog sluimert,
lijken ontwaakte vogels nog op flarden in de lucht.

In die overgang tussen zee en hemel,
waar de golven ook op wolken lijken,
verdwijnt elk onderscheid.

In die stroming tussen eb en vloed,
waar grenzen en voetstappen vervagen,
worden stenen en gebergten weer zand tussen vingers.

In die tussentijd van eeuwen,
waarin ik er nog niet was en niet meer zal zijn,
leef ik vrij, gevangen.

Binnen de grenzen van mijn lichaam,
reik ik naar oneindigheid,
buig mijn hoofd en spreid mijn vleugels.

PARELS

Als ik iets van mijzelf laat zien
vanuit mijn hart en passie,
de parels die ik te geven heb
soms wit, soms zwart, soms zonder naam
en ik zeg: “Kijk eens,
wat mooi, ontroerend, kwetsbaar en krachtig!”
en jij kijkt niet of ziet die parels niet
zoals ik ze ervaar
dan betekent dat…..

Dat ik wat anders zie en ervaar dan jij
niets meer of minder dan dat
en kunnen we samen leren
van ons verschillend zijn
en zien.

Korte verhalen

DE VROUW EN DE ZEE

‘Ik wil zo graag zo anders zijn’, zei de vrouw tegen de zee. ‘Ik kom jou vragen hoe ik dat moet doen. Jij weet vast wel hoe dat moet’.
‘Hoezzzzzzzo?’, vroeg de zee.
‘Nou, jij bént altijd anders. Dan ben je eb, dan weer ben je vloed of iets daartussenin. Jouw bewegingen zijn met elke golf of rimpeling of spetter elke seconde anders. Jouw kleuren zijn voortdurend in verandering. Jouw geluiden klinken nooit hetzelfde. Je weet wel, je BENT gewoon ANDERS en ik wil weten hoe je dat doet’.
‘Shhhhhh…..Je bent bij mij echt aan het verkeerde adres. Ik ben op het gebied van verandering de slechtste raadgever. Ik weet namelijk helemaal niet hoe dat moet. Ik doe. Ik ben. Ik ruis. Ik beweeg. Ik golf, rimpel en spetter heen en golf, rimpel en spetter weer terug. Ik golf-rimpel-spetter laag en ik golf-rimpel-spetter hoog. Ik beweeg mee met de wind of juist niet door de wind. En ik wordt bewogen door mijzelf. Ik ruis, wentel en stroom. Ik máák geen geluid. Er ís geluid. Ik maak geen kleuren. Er zijn kleuren. In het zand, de zon, de stenen, de planten en de dieren, in de wolken en in mijzelf. Ik weerspiegel niet eens. Ik ben gewoon, altijd maar weer, de waterspiegel en altijd dezelfde, door hoe ik ben, hoe ik doe, ruis, wentel, spetter, stroom en beweeg.’

DE VROUW IN SPIEGELBEELD

‘Ik wil zo graag anders zijn’, zei het meisje tegen het spiegelbeeld. ‘Jij bent per definitie anders dan ik en dat wil ik ook zijn. Anders. Helemaal en totaal anders. Eigenlijk precies het tegenovergestelde van mijzelf. Je zou dat dus het spiegelbeeld van mezelf kunnen noemen. Geef je mij alsjeblieft eens de tip en de truc voor hoe jij dat doet?’
‘Hoe zie je mij dan?’, vroeg het spiegelbeeld.
‘Zoals jij naar mij kijkt, zoals je mij ziet, maar dan andersom’.
‘Dan heb je, geloof ik, nu toch je eigen tip en truc gegeven?!’
‘Dat is dan gebeurd zonder dat ik daar erg in had! Welke tip heb ik dan, zo onopgemerkt, gegeven?’
‘Het is zo helder en simpel als glas! Kijk naar mij! Zie mij! En draai om wat je ziet!’

VERRASSINGSSCHOTEL

Het was kermis in ons dorp en ik had de ‘verrassingsschotel’ gegeten. Zo noemde moeder de restjes van groenten van de afgelopen dagen, die zij verstopte onder een dikke laag kaas. Ik had natuurlijk zo snel mogelijk gegeten, want daarna mochten we samen gaan. Bijten en doorslikken. Nee, niet kauwen! Zo weinig mogelijk proeven van die vieze champignons, paprika’s en spruiten. Bijten en doorslikken.

Op. Bord leeg. En ja, we gingen. Zo snel als ik kon rende ik naar de zweefmolen, mijn favoriet. Eerst lekker eng schommelen, dan draaien en zwaaien. Steeds hoger en harder. Tot m’n stoeltje zo hoog mogelijk boven de grond de wijdste cirkel beschreef. Dichter bij het gevoel van vliegen kon je toch echt niet komen. En op het hoogste punt …

Die spanning en opwinding, mijn hart klopte in m’n keel, mijn maag kromp samen en door mijn van schrik geopende mond kwam de verrassingsschotel er in golven uit. Het publiek dat daar beneden lachend omhoog keek naar hun kinderen in die zweefstoeltjes kreeg de volle laag.
Thuis gekomen viste mijn moeder met twee puntige vingers en ‘n grimas van afgrijzen bij mijn vader nog één vrij ongeschonden champignon tussen overhemd en overjas uit.

VRIJ – Mandela - VRIJ

Hun stemmen klinken als golven.
Afwisselend dichtbij en weer ver weg.
Herinneringen komen op, vervagen weer.
Mijn speech in Faranani, nu bekend als ‘Madiba’s Speech’.
Ik sprak voor regeringsleiders over ‘de geest van verzoening’.
Een essentiële voorwaarde als we verschillen willen overstijgen en we echt verschil willen maken.
Ook zei ik: “I am the Master of my Fate, I am the Captain of my Soul. It matters not how straight the gate, how heavy the scroll with punishment, again I repeat, I am the Master of my Fate, I am the Captain of my Soul.”
Wanneer was dat ook alweer?
O ja, juni 2002.
Toen geloofde ik daar nog vurig in.
Toen was mijn huid nog strak, mijn stem krachtig, mijn lijf vitaal.
Maar wie is nu ‘meester van mijn lot’? ‘Kapitein van mijn ziel’?
Toch niet die apparaten die me laten ademen en zorgen dat mijn lever mij niet vergiftigt?
Wat dan wel?
Zelfs in mijn geest heb ik geen zeggenschap over wat ik denk, over mijn waken of slapen.
Hun stemmen klinken nu scherp. Verontwaardigd. Ze maken ruzie.
Over mijn tijdstip van vertrek en over mijn begraafplaats.
Vroeger hebben mensen met mij gestreden, tegen mij, voor mij. Nu om mij.
Ik heb ze vaak iets proberen te leren over de innerlijke strijd die nodig is om tot verzoening te komen. Nu rest mij niets dan herinneren.
Demonstraties en spreekkoren, het popliedje ‘Free Mandela’.
Het werd een strijdlied.
Ik neurie onhoorbaar mee.
Voor mij een lied van vrede.

Marjo Korrel – 29 juni 2013

TANTE ELLY *

“Pas maar op. Anders word je net als tante Elly.’ Dat zei mijn moeder voor het eerst toen ik ’n jaar of zes was. Ik stond op dat moment in haar meest chique jurk, met mijn voeten in het enige paar schoenen met hoge hakken dat zij bezat, voor de spiegel op haar slaapkamer en begreep er niets van. Wat was er dan om voor op te passen? Wat was er dan gevaarlijk aan ‘worden als tante Elly’? Ik hield van haar. Zij was mijn allerliefste tante. Lief en leuk.
Ze hield plakboeken bij met foto’s die ze uit allerlei tijdschriften knipte, van Marlène Dietrich, Greta Garbo en Ginger Rogers. Als ik samen met mijn moeder bij haar op bezoek was, liet ze mij altijd haar nieuwste verzameling zien. Nu, bijna 60 jaar later, denk ik dat zij die foto’s gebruikte als inspiratiebronnen om haar eigen unieke combinatie te maken van de stijlen van deze drie ‘sterren’. Toentertijd werd ik er alleen maar vrolijk van dat ik een tante had die plaatjes spaarde en plakte.
Ze was zo anders dan alle andere vrouwen die ik kende. Als mijn moeder en haar vriendinnen hun haren wilde beschermen tegen de regen en als ze de krulspelden of permanentjes op de goede plek wilden houden, deden ze een soort plastic zeiltje op hun hoofd en knoopten de touwtjes aan de uiteinden daarvan stevig onder hun kinnen vast. Bij wind of kou trokken ze voorzichtig een dikke wollen muts over die krulspelden of die kapsels heen, tot over hun oren.
Tante Elly droeg in alle weersomstandigheden grote zwierige en veelkleurige hoeden. Met golvende brede randen en versieringen van allerlei veren en zijden bloemen. Die hoofddeksels liet zij voor zichzelf op maat maken. Daar ging ze speciaal voor naar Maastricht of Antwerpen.
De vrouwen in Maasbracht omwikkelden in de winter hun halzen met stevige bruine of donkerblauwe dassen en zichzelf in vormloze en stijve jassen in diezelfde kleuren. Tante Elly vouwde kunstig gedrapeerde stola’s of veren boa’s om zich heen, en danste over straat in jassen van golvende zachte stof die in wijde plooien om haar benen zwierden. En soms – het was nog in de tijd dat dierenleed niet gekoppeld werd aan kleding – droeg zij een jas van zacht langharig bont, met een hoge kraag waarin haar hele gezicht bijna verdween, waardoor ze op ’n groot knuffelig wezen leek dat zo warm, uitnodigend en zachtaardig was, dat ik alleen maar helemaal ín haar wilde kruipen.
De buren en andere ‘tantes’ rookten meestal Belinda. Tante Elly ook, maar zij zette zo’n sigaret dan in een zwart glimmend sigarettenpijpje van minstens 20 centimeter, dat zij met verfijnde gebaren tussen haar vingers met de felrood gelakte nagels liet balanceren.
Ze hield ook erg van zingen en dat deed ze vaak en veel en uit volle borst. Tijdens het ramenlappen, de was ophangen, de stoep vegen; ze liet er iedereen van meegenieten. Op verjaardagsfeestjes, meestal na ongeveer haar vierde of vijfde advocaatje met slagroom, stal ze helemaal de show. Ze durfde dan zomaar midden in de kamer te gaan staan, met één hand op een wulps gedraaide heup, de andere hand op haar borst en zong dan haar lievelingslied:

Ich bin von Kopf bis Fuß, auf Liebe eingestellt,
Denn das ist meine Welt.Und sonst gar nichts.
Das ist, was soll ich machen, meine Natur,
Ich kann halt lieben nur und sonst gar nichts.
Männer umschwirr’n mich,wie Motten um das Licht.
Und wenn sie verbrennen, ja dafür kann ich nichts.
Ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt, …

Terwijl ik opgroeide, ging mijn moeder haar waarschuwing steeds vaker herhalen. Het werd me snel duidelijk dat dit dan te maken had met de momenten dat zij mij te druk, te opgewonden, te wild en te lastig vond: als ik in haar ogen te enthousiast aan de ontbijttafel een verhaal of een droom vertelde, als ik de toneelstukjes die ik samen met vriendinnetjes bedacht had nog voor het slapen gaan wilde opvoeren, met mijzelf in álle rollen, als ik in de woonkamer op het blauwe vloerkleed de dans van de stervende zwaan wilde voordoen aan mijn jongere zusje … Pas maar op …
Hoe ouder ik werd, hoe vaker ze me zelfs bozig toesprak: ‘Ja, nu ben je net ons El.’ En dat betekende gewoon ‘Te Veel’.

Maasbracht. Máás … bracht. Zeg het zwaar en traag en langzaam en je hebt de sfeer van het hele dorp te pakken. Denk dan ook aan alle associaties met de katholieke kerk in Limburg, pastoren met schoongewassen handen, nonnen met valse glimlachjes en priemende ogen en paters geheel gehuld in schijnheiligheid, dan heb je niet alleen de sfeer, maar ook de leefregels helder.
Voor dat dorp, waar iedereen leefde volgens het adagium: “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg,’’ was tante Elly ‘te veel’. Want ‘ons El’ deed niet gewoon. Die had rare ‘stadse fratsen’. Die had het hoog in de bol. Te hoog. Ze was ‘gewoon niet normaal’ en had waarschijnlijk ook een ‘klap van de molen’ gehad.

Zoals tante Elly door het leven ging, kon volgens de goegemeente dan ook nooit goed aflopen. En inderdaad … in de loop van de jaren kreeg ze – naast het etiket ‘Gekke Elly’ – ook het stempel van ‘Ontaarde Moeder’.
Met lede ogen werd namelijk toegekeken dat Elly haar kinderen, tegen alle gewoontes en gebruiken in van wie dan ook in haar omgeving, naar een kostschool in België stuurde. Een nogal exclusieve en dure kostschool, bestierd door de ‘Soeurs’ van Gent. Daar zouden ze in ieder geval meer bagage voor het leven meekrijgen dan zijzelf gekregen had. Haar kinderen zouden ‘wereldburgers’ worden. En ze zouden ook nog eens vloeiend Frans leren spreken.
Tot overmaat van ramp kwam toen ook opeens de man weer in zicht met wie ze getrouwd was. Mijn oom Joop, die er niet was als hij werkte en die, als hij thuis was, er eigenlijk óók niet was. Die zich jarenlang schuilhield in een enorme fauteuil in de hoek van de kamer, zichzelf onzichtbaar makend achter grote wolken sigarenrook en die zich middels glazen cognac van het formaat ‘kleine vissenkom’ regelmatig in zo’n benevelde staat bracht dat hij absoluut geen last had van zijn excentrieke en uitbundige echtgenote. Of daar in ieder geval nog maar weinig van merkte. En zij had ook geen last van hem. Joop? “Daar had je geen kind aan.” Maar in het plotseling lege huis zonder kinderen kwam tante Elly opeens haar man tegen en kon er niet meer tegen. Ze was de eerste sinds mensenheugenis in de geschiedenis van de gemeenschap in Maasbracht die zich liet scheiden. En ze had toch moeten weten: ‘Wat God gebonden heeft, dat zal de mens niet scheiden.’ Maar of ze dat nu wist of niet, ze trok er zich niets van aan en kreeg daarmee ook nog het predicaat ‘Ontaarde Echtgenote’.

Nee, dat liep dus ook niet goed af, voor Elly. Mijn tante Elly, die zo ‘te veel’ was voor het dorp Maasbracht. Ik vind het tot op de dag van vandaag pijnlijk en jammer dat ze nooit echt geweten heeft wat ze voor mij, als voorbeeld, heeft betekend. Tante Elly ging dood toen ik 14 was. Ze liep de Maas in en kon niet zwemmen. Het ‘te veel zijn’ was haar, ondanks al haar moed, toch te veel geworden.
Nog regelmatig denk ik aan haar. Als schroom, schaamte of angst een belemmering worden om creatief en speels te zijn, denk ik: “Pas op … Anders krijg je meer spijt van wat je niet gedaan hebt dan van wat je wel gedaan hebt. Pas op!”

* Hoewel ‘Tante Elly’ gebaseerd is op mijn ervaringen met mijn Limburgse familie, is dit verhaal pure fictie. Elke gelijkenis met bestaande personen, gebeurtenissen, activiteiten, aangehaalde voorbeelden of namen van personen berust op louter toeval.

BESCHRIJF EEN VOORWERP

Schrijfopdracht tijdens een schrijfcursus

Voordat dit voorwerp beschreven werd, was er de vraag ‘Wat is een voorwerp?’ Zonder de volgende stelling wetenschappelijk te onderbouwen, weten mensen intuïtief wanneer iets een voorwerp is en wanneer niet. Een kat bijvoorbeeld, wordt meestal niet gezien als voorwerp. Een bos, een weg of mensenhoofd ook niet.
Maar wanneer Kunstenaar Katinka Simonse alias Tinkebell van haar door haarzelf gewurgde kat een handtas maakt, of als van een mensenhoofd de schedel en vetten verwijderd worden, de ogen opgevuld met zaden en vervolgens net als de mond dichtgenaaid en in het hoofd – om de vorm te behouden – een houten bal geplaatst wordt, het hoofd gekookt wordt in water waarin ook enkele tanninehoudende kruiden zijn gegooid en nadat nog enkele stappen in het procedé dat door de originele bevolking van Melanesië en het Amazonebekken doorlopen werden, dit inmiddels gekrompen hoofd ergens tentoon gesteld wordt, zijn de betreffende kat en dat mensenhoofd veranderd in voorwerpen.
In woordenboeken wordt ‘voorwerp’ vaak omschreven als ‘niet groot’, ‘levenloos’, ‘ding’. Toch kan alles wat groot, levend en niet-ding is, ook een voorwerp zijn, namelijk een voorwerp van aandacht. Zowel lijdend als leidend in de beleving en acties van de aandachtige. Verdere pogingen tot een hanteerbare afbakening van dit begrip lijken zinvol.

Voordat dit voorwerp beschreven werd, was er het keuzevraagstuk: ‘Welk voorwerp te kiezen uit het totaal van zichtbare en verborgen, onbeduidende en betekenisvolle, vergeten, verloren, verwaarloosde, imaginaire, beschadigde, oorspronkelijke, ambachtelijke en in serie vervaardigde voorwerpen?’ Vanuit de affiniteit van de auteur met een van de belangrijkste disciplines die in uiteenlopende, vooral oosters georiënteerde, levenswijzen beoefend wordt, namelijk de non-dualistische kunst van het waarnemen van wat er is, zonder onderscheid aan te brengen in voor- of achtergrond en voor- of afkeur, is aan dit vraagstuk zo weinig mogelijk tijd besteed.

Ook waren er, voordat dit voorwerp beschreven werd, vragen rond de invalshoek van de beschrijving. De herkomst van het voorwerp als invalshoek? Of de materiaalbeschrijving van het voorwerp? Herinneringen aan of associaties bij het voorwerp? We kunnen bij deze laatste mogelijkheid in ogenschouw nemen dat vroeger, in de Middeleeuwen toen het Nederlands nog Middelnederlands was, men soms nog sprak van ‘voorworp’ (dus ‘worp’ en niet ‘werp’). Hierbij ging het dan veelal om iets waarmee je een innige relatie had, ‘een mystiek-religieuze liefde’ (bron Wim Daniels). In dit verband zouden persoonlijke herinneringen en associaties van de schrijver gerelateerd kunnen worden aan diverse terreinen van wetenschap, die weer zouden kunnen leiden tot ‘n meer algemene filosofische uiteenzetting rond het thema ‘levenskunst’.
De voor- en nadelen van de effecten voor lezers en schrijvers, van deze invalshoek vragen om meer uitputtend onderzoek.
Vooralsnog kan het interessant zijn om de vraag ‘Door welke levende wezens is dit voorwerp aangeraakt?’ als invalshoek te kiezen. Door te schrijven dat dit voorwerp aangeraakt is door de lezer, de schrijver, de verkoper/caissière, de vakkenvuller, vrachtwagenchauffeur en/of -inlader, de inpakker, snijmachinebediende, de sorteerder, houtpulpverspreider, houtsnippervakman, zager, gediplomeerd houtbouwdeskundige en -kapper, de tastende en strelende hand van o.a. een eenzame vrouwelijke wandelaar, door de voet in de gymschoen van Pieter die uit frustratie hard schopte omdat zijn bal in de hoogste takken, waar hij echt niet meer bij kon, was blijven steken tijdens zijn voetbalspel – en door expliciet te vermelden dat hiermee alle andere wezens die dit voorwerp met vleugels, pootjes, bekjes, tandjes, snaveltjes, lijfjes en neus- en wimperharen aangeraakt hebben en die in contact geweest zijn met dat wat bestaat, niet in de beschrijving opgenomen zijn – kan de lezer meer doorleesd en doorleefd beseffen dat alles met alles verbonden is. Dit kan leiden tot zowel gevoelens van zinvolheid, heelheid en liefde als tot een nihilistische en vrij deprimerende beleving van de volstrekte zinloosheid en irrelevantie van voorwerpen in het algemeen en het menselijk bestaan in het bijzonder. Of dit resultaat beoogd moet worden, is een onderwerp voor nader onderzoek.

Voordat dit voorwerp een keuzemogelijkheid werd in de opdracht ‘Beschrijf een voorwerp’ van de cursus ‘Essay Schrijven’ van de Schrijversvakschool in Amsterdam van publicist en docent Dirk van Weelde, was het een onderwerp in een gedachte van deze persoon. Een gedachte die – naar we in alle redelijkheid kunnen aannemen – voortkwam uit zijn intentie om zijn cursisten een persoonlijke oefening te geven in het schrijven van probeersels waarin onderwerp en vorm congruent zijn en integraal resulteren in een ervaring van de lezers ervan.

Voordat dit onderwerp beschreven werd, zag het er – ongeveer – uit als de pagina, weergegeven op het scherm waar u nu naar kijkt. De kaart is niet het gebied.

In het kader van congruentie tussen vorm, inhoud én ervaring zou de lezer nu ook persoonlijk betrokken kunnen worden bij het beschreven voorwerp zelf. Nu. U.
Om u nu de actor in de beschrijving van dit voorwerp te laten worden, zouden enkele suggesties kunnen helpen. Suggesties zoals ‘print deze pagina uit’ en ‘Aai dit voorwerp’, ‘Negeer dit voorwerp’, ‘Kras met uw nagels over dit voorwerp’, ‘Ruik eraan’, ‘Vlei uw wang ertegen’, ‘Scheur er een stukje af, kauw, proef en eet het op’, ‘Verfrommel het’ of ‘Maak er een origamivogeltje van’.
– Voor een heldere instructie van het vouwen van origamivogeltjes, zie de link: http://www.origamivoorkinderen.nl/origami/Vogel_01/ –

De intensiteit van uw ervaringen die zich voordoen bij het opvolgen van deze suggesties, verdienen nader onderzoek. Met name ‘Patafysisch Onderzoek is dringend aanbevolen omdat we het gebied betreden waarin de grenzen tussen een voorwerp, dit voorwerp en uw voorwerp verdwijnen en we, terwijl de beschrijving van dit onderwerp het einde nadert, de uitzonderingen die helder worden, nauwgezet kunnen gaan bestuderen.

DE VROUW EN DE MAAN

‘Ik wil zo graag zo anders zijn’, zei de vrouw in de nacht tegen de volle maan. ‘Vertel mij eens hoe jij dat doet, want dat weet jij best!’
‘En waarom denk jij dat?’ vroeg de maan?
‘Jij laat altijd maar één kant van jezelf zien en daar hoef jij kennelijk helemaal geen moeite voor te doen. Dat doe jij gewoon. Hoe doe jij dat? Dat wil ik namelijk ook kunnen. Ik wil ook maar één kant van mezelf laten zien. Eén lichte kant van mij. De handigste, de leukste, liefste, aantrekkelijkste, voortvarendste, slimste, sterkste, de fraaiste en de mooiste kant. De rest mag in de schaduw blijven. Die hoeft niemand te zien.
Maar dat kost mij zo verdraaid veel energie. Ik moet constant opletten waar iemand naar kijkt, hoe iemand kijkt en vanuit welke hoek, om dan héél precies dat deel van mij in het licht te zetten wat ik wil laten zien en het andere in de schaduw te houden. Dat is niet simpel. Dat is geen sinecure. Zeker niet als er voortdurend ook weer anderen zijn, die ook weer op een andere manier, vanuit een andere hoek of richting naar me kijken. Het is onderhand een dag- èn een nachttaak. Dat gaat jou zo moeiteloos af! Je láát gewoon en steeds maar weer, alleen die ene kant in het licht zien’.
‘’t is maar hoe je het bekijkt’, zei de maan.
‘Ik doe namelijk niets. En het meeste en voornaamste niets dat ik doe is me er iets van aan trekken. Ik vind er niets aan en ik vind er niets van. Weet je dat er op dit moment ook camera’s en ogen op mijn achterkant gericht zijn? En weet je wat dat me doet? Niets! Weet je wat ik daarvoor doe? Niets! En weet je wat ik ervoor doe dat jij mijn lichte kant ziet? Niets! Dat wordt gewoon gedaan. Ook als jij niet kijkt. Ook als niemand kijkt. Daar doe ik niets voor en daar doe niets tegen. En dat alles is ook helemaal niet interessant.. Want weet je wat de betekenis is van hoe je me bekijkt? Niets, hélemáál niets! Welterusten!’

DE VROUW EN EEN SCHRIJVER

´Ik wil zo graag anders zijn´, zei de al wat grijze vrouw tegen de al beroemde schrijver. ´Jij bent beroemd, jij hebt tenminste iets te vertellen. Iets dat anderen niet weten en wel willen weten. Vertel mij eens hoe ik kan worden als jij!´
´Waarom wil je worden als ik?’, vroeg de schrijver. ‘Je hoeft toch niets te wórden? Je hoeft alleen maar te schrijven’.
‘Maar ik wéét helemaal niets!’
‘Van niets?’
‘Nee, van niets’.
‘Waar weet je echt, absoluut en voor 100% zeker het aller-aller-minste van?’
‘uhhhh…Van gelukkig zijn. Op dat gebied ben ik een nitwit, een leek en een novice. Daar weet ik na al die levensjaren nog geen jota van!’
‘Weet je dan wel hoe het is om ongelukkig te zijn?’
‘Ja, daar weet ik van alles van!’
‘Echt van alles? Allerlei details? Wat je dan, als je ongelukkig bent, voelt, ruikt en proeft? Hoe je dan kijkt, droomt, beweegt, denkt en doet?’
‘Ja, echt alles!’
‘En weet je ook hoe je dat kunt worden? Ongelukkig. In soorten en maten. Licht én zwaar ongelukkig. Weet je wat je daar exact voor moet doen en laten? Waar je dan je aandacht aan moet geven en wat je dan moet vermijden en negeren? Wat je dan moet zeggen en heel speciaal niet of juist weinig moet zeggen?’
‘Ja, daar weet ik ook van alles van!’
‘En weet je ook hoe je in het diepste dal terecht kunt komen en toch niet verdwalen? Hoe je dan een klein weggetje uit dat diepste kunt vinden? En hoe je in de donkerste put terecht kunt komen en toch niet te pletter vallen of verdrinken? Hoe je dan een spoortje uit dat donkerste naar iets hogers en iets lichters kunt vinden?’ Weet je wat je daarvoor moet denken, doen en in beweging moet zetten?
‘Ja, dat weet ik wel. Niet zo héél erg veel, maar ik wéét het wel’.
‘En weet je dan ook iets over hoe dat voelt, als je die weg naar het diepste dal en er weer uit en die weg naar de allerdiepste en donkerste put en dat spoortje daar weer uit hebt gevonden? Wat je dan voelt, ruikt en proeft? Hoe je dan kijkt, droomt, beweegt, denkt en doet?’
‘Iets minder, maar daar weet ik ook nog wel redelijk veel van, geloof ik’.
‘Aha!’, zei de schrijver. ‘Dan zou ik daar maar eens gauw een boek over gaan schrijven! Vort! Ga heen! Pak een pen, potlood of een laptop! En schiet nou toch eens op! Je hebt werk te doen!’

INGEHOUDEN

“De enige die je echt kunt vertrouwen, is je hond” was zijn lijfspreuk. Onze vader was altijd op z’n hoede. Hij hield zijn armen steevast wat gekromd naar achteren. Als een bokser die eerst inademend naar achteren zwenkt om daarna de klap naar voren uit te delen. Alleen leidde die achterwaartse beweging bij hem niet tot bevrijdende ontlading, maar hoopte alle spanning zich op. In zijn vastgeklemde kaken, in tot vuisten gebalde handen en in die knik van zijn ellebogen. Om dan naar aanleiding van volstrekt irrelevante gebeurtenissen tot uitbarsting te komen. Glazen potten met appelmoes bijvoorbeeld, waarvan hij de deksels niet snel genoeg opengedraaid kreeg, eindigden regelmatig in een brei met scherven tegen keukentegels. Of schoenveters, die hij grommend kapot trok als hij de knopen niet in één keer kon ontwarren.

Wij hadden geen invloed op het kanaliseren van die briesende energie. We maakten ons zo klein mogelijk en wachtten tot het, voor even, over was. Pas toen wij zelf ouders werden, bleken zijn kleinkinderen dat wonder wel te kunnen bewerkstelligen. In hun aanwezigheid verzachtte hij onmiddellijk. Alsof hij eindelijk, na al die jaren, kon uitademen. Zijn armen werden soepel rond als hij hen omhelzend voorlas. Hij strekte die zelfs recht voor zich uit als ze enthousiast op hem af renden. En het was ook pas in die periode dat hij voor het eerst vertelde over de gebeurtenis uit zijn jeugd die zo bepalend was geweest voor de rest van zijn leven.

Toen hij 16 was, in 1944, werd tijdens het avondeten aangebeld. Zijn vader kreeg het bevel om onmiddellijk mee te gaan naar het dichtstbijzijnde werkkamp van de Duitsers. Daar was een kapper nodig. Nee, het waren geen Duitsers die voor de deur stonden. Hij zag nog steeds die koppen voor zich, die uitgestreken smoelen van die Nederlandse S.S.’ers. Het waren mannen die hij herkende als de bridgevrienden van zijn vader. Zijn vader had zich bij hen onder gelijkgestemden gewaand. Tijdens elke wekelijkse kaartavond had hij, luid en duidelijk, verteld wat hij van de Duitse bezetting vond. ’Die kapper uit Echt, die zijn mond niet had kunnen houden’, zo werd hij daarna steeds weer genoemd.

Terwijl hij in de deuropening stond, zijn rug tegen de boezem van zijn moeder, zijn broer en zus achter haar rokken, zag hij zijn vader de straat uitlopen. En juist toen hij hoopte dat zijn vader nog wel even om zou kijken en zou zien dat hij niet echt bang was, dat hij tenslotte al bijna net zo groot was als zijn moeder, zag hij een van de S.S.‘ers zijn geweer richten op de rug van zijn vader en de trekker overhalen. Even leek het alsof zijn vader juichte toen hij zijn hoofd naar achteren en zijn armen omhoog gooide.
En op dat moment voelde mijn vader hoe de handen van zijn moeder zijn bovenarmen, vlak boven zijn ellebogen, omknelden en hem tegenhielden om iets, hij wist niet wat, maar wat dan ook, te doen.

ZANDKORREL

Mijn vader en ik maken een fietstochtje langs dierbare plekjes in zijn Limburgse vaderland; zijn geboortehuis, de danszaal waar hij mijn moeder voor het eerst ontmoette. Natuurlijk rijden we ook langs ontelbare caféterrassen waar hij steeds weer bekenden begroet. Hij stapt dan van zijn fiets en zegt steeds met onverholen trots “Dit is nou mijn dochter. Waar ik je laatst nog over verteld heb!”

Ikzelf ben in een minder trotse bui. Heb de afgelopen weken te hard gewerkt. Ben moe en in mineur. Zoals altijd ga ik dan twijfelen aan de zin van wat ik op deze aardkloot doe.

“Ach Pap, had ik maar een gewoon vak geleerd. Meubelmaker ofzo. Dan kon ik tenminste een concreet product afleveren waar de klant om gevraagd heeft. In mijn werk is alles vaak zo vaag. M’n invloed zo miniem.” Verder mompel ik nog iets over “dweilen met de kraan open” en “water naar de zee dragen”.

Hij antwoordt, al fietsend: “Tja, je bent gewoon een echte ‘Korrel’… net als een van die miljarden zandkorrels op ’t strand”. En trapt nog wat steviger door.
Zucht. Op zo’n opbeurende opmerking zit ik nu echt te wachten. Fijn!
Even verderop vervolgt hij; “Maar als jij daar NIET zou zijn, zou dat hele strand wel totaal veranderd zijn”.

Ik glimlach. De zin en onzin van m’n werk zijn weer duidelijk. Hij knipoogt en zegt; “Heb jij nou ook zo’n zin in een pilsje in de zon, op dat terrasje daar?” Samen minderen wij vaart.

LEVEN IN DE LUWTE

Leren allitereren – opdracht tijdens schrijfcursus van Wim Daniëls

“Ik leef graag in de luwte.” Zoiets kan klinken als een aardige alliteratie en is te benutten als de beginzin van een boek. Het kan ook een kloppend, zichzelf beschrijvend zinnetje, zijn dat dan uitermate passend is als de uitspraak van een verlegen persoon. Maar als je, zoals ik toch echt gedaan heb, gekozen hebt voor een professie waarbij je vrijwel voortdurend en plein publiek op een podium staat, klinkt zo’n zin als kletsklare quatch, c.q. ongelooflijke onzin.
En toch, desalniettemin en niettegenstaande deze compleet onvereenbare contradictie tussen mijn binnen- en buitenwereld, is het in mijn geval een niet te weerleggen waarheid. Vanbinnen schuw, schuchter, ontzettend onzeker en bezien vanuit de buitenstaander aandachttrekkend assertief en adembenemend ad rem. Zo ben ik. Twee-eenheid van elkaar afstotende tegenpolen in één persoon.
Als ik zou zeggen dat ik niet met open ogen voor dit vervaarlijke vak gekozen had, dan zou ik dit veelomvattende verschil in mijzelf verloochenen. Daarmee zou ik dan tegelijkertijd zowel mijn kracht als kwetsbaarheid verloochenen en innerlijk eigenlijk verwerpen. Dat werpt verder ook geen vruchten af.
Als populaire popartiest en als inmiddels beroemde en befaamde zingende danser en dansende zanger, sta ik, altijd hier op voorbereid en toch telkens weer verrast, keer op keer kotsend in de coulissen. Terwijl ik dan nog geen oogwenk later, met grote gebaren, zelfverzekerd en onzichtbaar zwetend voor mijn vele fans en zelfs voor vrienden en familie lijk te gedijen in het licht, deel ik, vanbinnen bibberend en bevend, trillend van top tot teen, mijn diepste droefheid en leg voor volk en vaderland en ver daarbuiten mijn bevende binnenkant bloot.

INPAKKEN EN WEGWEZEN!!!

Het jaar daarná kochten mijn ouders een weiland, ver van de bewoonde wereld. Een kaal stukje grond dat zij later omtoverden tot een tuinparadijsje, waar mijn vader elke eerste vakantieochtend begon met een indianendans over het hele terrein. Gekleed in alleen een hele grote witte onderbroek. Gewoon om te vieren dat hij de ‘grootgrondbezitter’ was die, als hij dat wilde, ook in z’n blote kont kon rondlopen! Maar zover was het dat jaar nog niet. Nu stond hij voor de derde keer de bagage zo in de auto te puzzelen, dat alles wat mijn moeder bij elkaar gezocht had, erin zou passen.

Net toen mijn vader met een roodpaars hoofd en het schuim bijna op de lippen uitschreeuwde: ‘nu kan er ECHT geen tandenborstel meer bij!!!’, kwam mijn moeder doodgemoedereerd met twee boodschappentassen aangelopen. Wij noemden deze onverstoorbaarheid haar ‘eendentactiek’, een strategie die zij op meer hogedrukpanmomenten van mijn vader inzette; de kunst om ook in water toch niet nat te worden, door alles van je af laten glijden….En natuurlijk bleken ook deze tassen, tussen mijn zus en mij gepropt op de achterbank, nog mee te kunnen.

Het jaar daarná genoten we van een vakantie met elke dag zon en alleen mensen om ons heen die uitgenodigd waren op tijden wanneer het mijn ouders uitkwam. Maar zover was het nog niet…

De camping bleek bij aankomst overvol. De tenten stonden zo dicht op elkaar dat de scheerlijnen van de buren dwars door onze voortent heen liepen en het leek alsof we met één grote familie samenleefden. Een familie die voor mijn vader met een allergie voor ‘mensen-in-het-algemeen’ zeer ongewenst was. Ook brak een van de befaamde Nederlandse zomers aan. Na dagen met miezer-, mot-, plens- en stortregen, stak er een heuse zuidwesterstorm op. En ‘wind’ was iets dat teveel op zijn eigen innerlijke onrust leek en waar mijn vader hélemáál niet tegenkon! De maat was vol!! Terwijl mijn moeder gebogen stond over het butagasstelletje en ons avondeten, brulde mijn vader: ‘INPAKKEN EN WEGWEZEN!!! NU!!!’

In de stromende regen en een storm van windkracht 9, was er geen sprake van doordacht inpakken. Met heftige gebaren smeet mijn vader alles in de auto wat mijn moeder, onverstoorbaar als altijd, aanreikte. Dit keer kon er écht ‘geen tandenborstel meer bij’. Sterker nog…behalve voor hemzelf, was er voor niemand meer een zitplaats vrij. Er werd besloten gescheiden naar huis te reizen. Een van de kampeerburen, blij met het vooruitzicht op iets meer ruimte voor zijn eigen tent, bracht mijn moeder en ons naar het station. Nog enigszins confuus zaten mijn zus en ik uiteindelijk in een – ook overvolle – treincoupé op weg naar huis. Onze vakantie was nu dus echt afgelopen. Dit besef verwerkend, zagen we wat mijn moeder tussen alle bedrijven door bewaakt en gekoesterd had. Mijn moeder tilde de deksel op van een grote braadpan die op haar schoot stond, keek rond naar haar medepassagiers en vroeg: ‘wie heeft er zin in een gebakken karbonaadje? Ze zijn nog warm!’

Marjo Korrel

Haiku’s

SAMEN ZIJN

Vrienden gaan op weg.
Onze harten ontmoeten
voor we vertrekken.

WAT OVERBLIJFT

Er is niets dat blijft.
Als bewijs dit sneeuwlandschap.
Verdwijnend water.

GOED GESPREK

Woorden die reiken
overbruggen isolement.
Helend verlangen.

ZWIJGEN

Tussen woord en daad
wacht het onvermogen stil.
Terwijl het hart roept.

HECTIEK

Stress vreet energie.
Koffie en sigaretten.
Morgen weer adem.

RAKEN

Als een fluistering,
zacht trillend, hoorbaar strelend,
elkaar omvatten.

AMBACHT

Schrijven vraagt geduld.
Niet weten is als de deur.
Woorden de drempel.

SCHEMERING

De avond wordt nacht.
In dromen is het lichter.
Morgen lijkt zwaar.

AARZELING

Stiekem besluipen,
twijfels als wattendeken,
mijn nog open geest.

DINER

Deze maaltijd is voedend.
En dit gaat niet over eten,
maar over vriendschap.

DOCHTER

Zij stelt mij vragen.
Opgetrokken wenkbrauwen.
Glimlachend wetend.

KUNSTENAARSZIEL

Creërend leren.
Onaantastbaar vertrouwen.
Pijn onvermijdbaar.

ONDERWEG

Rijdend in de nacht
is de verte onzichtbaar.
Reis zonder einde.

VOOR DE POORT

De wijsheid sluimert.
Verborgen achter zorgen
staat verdriet op wacht.

DINER

Deze maaltijd is voedend.
En dit gaat niet over eten,
maar over vriendschap.

PYAMA-DAG

Een dag zonder zon.
Het bed biedt geborgenheid.
Aankleden hoeft niet.

DE SCHRIJFSTER

Schrijven vraagt geduld.
Niet-weten is als de deur.
Woorden de drempel.

DOEL

Plannen zijn bakens.
In de oeverloze stroom
doelloos verloren.

CONTACT

Tussen jou en mij
bestaat niets meer bijzonder
dan verschillend zijn.

SAMENSPEL

Verwijtend schreeuwend,
wervelende strijd, conflicht,
als bewijs van ‘wij’.

TAAL

Woorden onderscheiden
verhaal van betekenis
waar verschil verdwijnt.

SCHOLING

Meester en leerling
al struikelend hand in hand.
Wie onderwijst wie?

OPEN WIL

Krampachtig klampend,
grijpend en graaiend,
kan niets ontstaan.

FALEN

Zonder oordelen
speel ik zoekend foutloos.
Vergissend zo wijs.

ANGST

Waar ik bang voor ben,
bestaat nooit hier ter plekke,
vlucht van mij vandaan.

VERLANGEN

Willen doet reiken.
Bewegend ontstaat mijn weg
steeds opnieuw naar huis.

DIVERSITEIT

In de realiteit
van onze eigen wereld,
altijd verbonden.

LEREN

Leren is eenzaam.
Veranderen moet je zelf doen.
Ik heb je nodig!

DE WERKELIJKHEID

Ik zie wat ik denk;
mijn waarheid bewaarheid.
Zekerheid is blind.

INTERACTIE

Delen worden heel
als het stromen tussen ons
verstilt in weten.

VRAAG

De vraag als focus
geeft richting aan antwoorden
voorbij het denken.

WEERSTAND

Weerstand is pijnlijk
tot acceptatie erkent;
weerstaan is bijstaan.